Tag Archives: arbeidsrecht advocaat rotterdam

Buitengewoon Besluit arbeidsverhoudingen 1945

De arbeidsovereenkomst kan niet worden opgezegd als het in art. 6:670 lid 1 Burgerlijk Wetboek neergelegde opzegverbod gedurende de tijd dat hij ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte aan de orde is.394 In dat geval staat dan de mogelijkheid om de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een gewichtige reden (zie art. 7:685 BW; zie hfdst. 10) via de kantonrechter open. De ontheffings- of vrijstellingsmogelijkheid geldt dus niet voor een werknemer die al-leen in naam de functie van directeur van een vennootschap voert (titulair); het algemene opzegverbod van art. 6 lid 1 Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 is op hen dus onverkort van toepassing.

Bestuurders van stichtingen, coöperaties, verenigingen en dergelijke vallen niet onder de gegeven ontheffings- of vrijstellingsmogelijkheid en zijn om die reden dus ook niet uitgezonderd van het algemene in art. 6 lid 1 Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 neergelegde opzegverbod.

Waar moet het verzoek worden gedaan?

Daarvoor is al aangegeven dat de bevoegdheid tot het verlenen van de toestemming om een arbeidsverhouding te mogen opzeggen op grond van art. 6 lid 1 Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 toekomt aan de Centrale organisatie werk en inkomen. De Centrale organisatie werk en inkomen kent een raad van bestuur die is belast met de dagelijkse leiding van deze organisatie (zie art. 2 lid 1 en art. 3 lid 1 Wet SUWI). Deze raad van bestuur heeft in het Organisatiebesluit CWI en het Besluit werkgebieden CWI de organisatie van de Centrale organisatie werk en inkomen nader ingeval & Uit het Organisatiebesluit CWI blijkt dat de Centrale organisatie werk en inkomen bestaat uit drie niveaus, namelijk het vestigingsniveau, het districtsniveau en het niveau (zie art. 2 lid 2 Organisatiebesluit CWI).

Het Besluit werkgebieden CWI worden de plaatsen van vestiging en de werkgebieden de 130 Centra voor werk en inkomen en de plaatsen van vestiging, de werkgebieden de districten van de afdeling juridische zaken aangegeven. Bij deze indeling een onderscheid gemaakt in taakstelling. De Centra voor werk en inkomen hou-zich bezig met de kerntaak van de Centrale organisatie werk en inkomen, name-een publieke (basis)dienstverlening op het terrein van werk en inkomen, zoals de arbeidsbemiddeling (zie art. 21 Wet SUWI).

De afdeling juridische zaken – bezig onder andere met de ontslagtabak. Er wordt dus een duidelijk rondgemaakt tussen de Centrale raad voor werk en inkomen en de afdeling juridische zaken. De afdeling juridische zaken valt onder de verantwoordelijkheid van de manager juridische zaken. Daarnaast zijn er districten met een hoofd juridische zaken en vestiging met een coördinator juridische zaken. Een vestiging is een vestiging van de afdeling. 

Vervolgens kan op grond van art. 6 lid 9 bij ministeriële regeling voor bepaalde (groepen van) werknemers ontheffing of vrijstelling van het toestemmingsvereiste van lid 1 van art. 6 Buitengewoon Besluit arbeidsverhoudingen 1945 worden gegeven. Die ontheffing of vrijstelling kan al dan niet onder voorwaarden worden verleend. Van deze ontheffings- of vrijstellingsmogelijkheid is allereerst gebruik gemaakt voor mindervalide arbeidskrachten die werkzaam zijn in het kader van de sociale werkvoorziening.

Vervolgens is het toestemmingsvereiste niet van toepassing op bestuurders van vennootschappen, inclusief buitenlandse vennootschappen.3″ Het gaat in dit geval om de zogenoemde statutair-directeur. Niet iedere directeur is een statutair-directeur in juridische zin. Daarvan is namelijk alleen sprake als hij wordt benoemd door een daartoe bevoegd orgaan. Dat zal in verreweg de meeste gevallen de algemene vergadering van aandeelhouders (AvA) zijn. Soms kan een dergelijke benoeming ook door de raad van commissarissen (RvC) plaatsvinden. Er moet dus voor de functie van statutair-directeur sprake zijn van een benoemingsbesluit waarvan aantekening wordt gemaakt in de registers van de Kamer van Koophandel.

Een statutair-directeur heeft ten opzichte van de vennootschap een dubbele rechtsbetrekking, namelijk een vennootschapsrechtelijke en een arbeidsrechtelijke band. Dat betekent wanneer ontslag van de bestuurder aan de orde is deze beide banden moeten worden losgemaakt. Als het los-maken van de vennootschapsrechtelijke band aan de orde is, komt het er in de praktijk op neer dat de algemene vergadering van aandeelhouders of de raad van commissarissen bij meerderheid van stemmen een besluit moet nemen om de betrokken directeur te ontslaan (zie art. 2:134 lid BW en art. 2:144 lid 1 BW). Deze stemming moet plaats-vinden tijdens een vergadering waarbij de directeur moet worden uitgenodigd (zie art. 2:8 BW) om zijn mening te kunnen geven, de zogenoemde hoorplicht.

Bovendien moet hij daarbij ook uitdrukkelijk in de gelegenheid worden gesteld om over zijn eigen ontslag te adviseren, het zogenoemde adviesrecht.391 Ook moet nog worden gewezen op de raadgevende stem die de statutair-directeur heeft in de algemene vergadering van aandeelhouders (zie art. 2:117 lid 4 BW en art. 2:227 lid 4 BW). Mocht hij hiertoe niet in de gelegenheid worden gesteld, dan kan hij het desbetreffende besluit nietig laten verklaren of vernietigen (zie art. 2:14 BW en art. 2:15 BW).

De arbeidsrechtelijke band wordt losgemaakt door de arbeidsovereenkomst met de statutair-directeur op te zeg-gen waarbij dan wel de daarvoor geldende opzegtermijn in acht moet worden genomen. De Hoge Raad heeft in 1992 geoordeeld dat de normaal voor de arbeidsovereenkomst geldende voorschriften (zie Titel 7.10 BW) onverkort op de de arbeidsovereenkomst van een statutair directeur van toepassing zijn tenzij de speciale voorschriften die in het Burgerlijk Wetboek over vennootschappen zijn opgenomen zich daartegen verzetten (zie Boek 2 BW).