Tag Archives: advocaat amsterdam

Pensioenovereenkomst

Volledigheidshalve wordt nog vermeld, dat wat betreft een dergelijk fonds aan de voorschriften van die wet moet worden voldaan. Uitdrukkelijk is in art. 7:631 lid 4 BW aangegeven dat de werkgever ter nakoming van dat beding de daartoe benodigde bedragen op het loon van de werknemer mag inhouden, maar wel onder de verplichting dat hij deze bedragen weer overeenkomstig dat beding de werknemer moet voldoen. Dit laatste brengt met zich dat de werknemer zich wat betreft een dergelijk beding onherroepelijk kan verbinden tot deelname in een pensioenfonds.

Het moet dus gaan om een pensioenfonds in de zin van de PW. Een werkgever die met een werknemer een pensioenovereenkomst sluit heeft de keuze uit een aantal mogelijkheden over de manier waarop deze daarin neergelegde afspraken worden uitgeleerd. Het gaat dan om uitvoering door een bedrijfstakpensioenfonds of een ondernemingspensioenfonds. De werkgever kan er echter ook voor kiezen om de uitvoering te doen door een verzekeraar (zie art. 2 PW).

De PW bevat geen verplichting voor de werkgever om de hiervoor bedoelde pensioenovereenkomst te sluiten. Een dergelijke verplichting kan overigens wel bestaan op grond van bijvoorbeeld een andere wet, namelijk de Wet bpf 2000.409 Ook is de pensioenovereenkomst niet aan een bepaalde gebonden. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen een schriftelijke of mondelinge overeenkomst. De werkgever moet ervoor zorgen dat degene aan wie hij de uitkering van de pensioenovereenkomst heeft toevertrouwd de overeengekomen bedragen ontvangt (zie art. 22 PW).

Pensioenovereenkomst

Als er een pensioenovereenkomst gesloten, dan moet de werkgever handelen op de manier die de Pensioenwet voorschrijft. De werkgever kan de pensioenovereenkomst onder bij een bedrijfstakpensioenfonds. Dit kan natuurlijk alleen als een dergelijk fonds in de bedrijfstak bestaat en de mogelijkheid van vrijwillige toetreding kent. Is het deelnemen in een bedrijfstakpensioenfonds verplicht gesteld, dan heeft de werkgever een keuze.

Desondanks is het onder omstandigheden toch mogelijk dat de werkgever voor zijn werknemers een vrijstelling krijgt van de verplichte deelneming aan dat bedrijfstakpensioenfonds, maar dan moet hij bijvoorbeeld tijdig een ondernemingsregeling hebben getroffen, die aan bepaalde voorwaarden voldoet. Bestaat er een bedrijfstakpensioenfonds in de desbetreffende bedrijfstak dan kan de werkgever de onderneming of een groep van ondernemingen een ondernemingspensioenfonds verbinden.

Formele voorschriften voor pensioenfonds

Bijna alle pensioenfondsen zijn opgericht in de vorm van een stichting en bij uitzondering in de vorm van een vereniging of een NV. Een stichting moet worden opgericht bij notariële akte die de statuten omvat (zie art. 2:286 BW). In de statuten moeten voorschriften zijn opgenomen over:

  • het doel van het pensioenfonds, waaronder een omschrijving van de werkingssfeer;
  • de bestemming van de middelen van het pensioenfonds;
  • het beheer van het pensioenfonds;
  • de inkomsten van het pensioenfonds;
  • de belegging van de gelden;
  • de wijze waarop de bestuursleden worden benoemd;
  • de wijze waarop de leden van de deelnemersraad worden gekozen;
  • de wijziging van de statuten;
  • de liquidatie van het pensioenfonds, met inbegrip van de verplichtingen van de liquidateuren en de bestemming van de bezittingen van het pensioenfonds;
  • de wijze waarop het intern toezicht is georganiseerd; en
  • de wijze waarop de leden van het verantwoordingsorgaan worden benoemd en ontslagen (zie art. 106 lid 1 PW).

Bij een bedrijfstakpensioenfonds wordt de werkingssfeer omschreven door het omschrijven van de bedrijfsactiviteiten van de bedrijfstak (zie art. 106 lid 2 PW‘). Als een bedrijfstakpensioenfonds de werkgever de mogelijkheid biedt om zich vrijwillig bij dit fonds aan te sluiten, dan moet in de statuten worden aangegeven onder welke voorwaarden een dergelijke vrijwillige aansluiting mogelijk is (zie art. 106 lid 3 PW).

Pensioenverzekering

Het verbod tot inhouding van enig bedrag op het loon van de werknemer en het verbod op gedwongen winkelnering gelden op grond van onderdeel b van art. 7:631 lid 3 BW niet voor een beding waarbij de werknemer zich verbindt om bij te dragen tot de premiebetaling voor een verzekering die voldoet aan de voorschriften die de Pensioenwet daarvoor geeft. Ook hier geldt dat in lid 4 van het artikel uitdrukkelijk is aangegeven dat de werkgever ter nakoming van dat beding de daartoe benodigde bedragen op
het loon van de werknemer mag inhouden, maar wel onder de verplichting dat hij deze bedragen weer overeenkomstig dat beding ten behoeve van de werknemer moet voldoen. Dit laatste brengt met zich dat de werknemer zich wat betreft een dergelijk beding zich onherroepelijk kan verbinden tot deelname in een pensioenfonds.

Aangewezen fondsen

Het verbod tot inhouding van enig bedrag op het loon van de werknemer en het verbod op gedwongen winkelnering gelden niet voor een beding waarbij de werknemer zich verbindt om deel te nemen in een ander fonds dan hiervoor in het onderdeel Pensioenfondsen en pensioenverzekering aan de orde is geweest. Daarbij geldt op grond van art. 7:631 lid 3 onderdeel c BW dan wel dat dit fonds moet voldoen aan de voorschriften.